
De toekomst van de waterstofeconomie in de Noordelijke grensregio’s

De vijfde editie van de Hydrogen Cross Border Conference bood een platform voor dialoog over de toekomst van de waterstofeconomie in de Nederlands- Duitse grensregio.
Terugblik op de Hydrogen Cross Border Conference 2025
Op donderdag 13 maart 2025 vond in Zuidbroek het eerste lustrum plaats van het jaarlijkse Nederlands-Duitse congres over waterstofontwikkelingen in vooral de wederzijdse Noordelijke grensregio’s. Het congres, dat in de avond ervoor was voorafgegaan door een grootschalig diner met de voornaamste sleutelpersonen, vond plaats onder de titel “Hydrogen Cross Border Conference: Best/bad practices, hands-on recommendations & learnings” en werd bezocht door ruim 200 deskundigen met ruwweg een gelijke verdeling over beide landen.
Samen met het initiatief H2-Ostfriesland, het district Aurich, MARIKO GmbH, de H2-regio Emsland, FME, OLEC e.V. en Enterprise Europe Network, was New Energy Coalition verantwoordelijk voor de organisatie van het evenement en sloot onze expert Catrinus Jepma af met een keynote lezing over de waterstofinitiatieven rond de industrie in Oost-Groningen.


Waterstofwaardeketen
Het thema waar dit jaar voor gekozen was: hoe de gehele waardeketens rond waterstof te sluiten en wat daarbij de grootste uitdagingen (blijken te) zijn. Het thema sluit natuurlijk goed aan bij het algemene gevoel in de markt dat de waterstofontwikkeling op dit moment vrij moeizaam is. Dat komt allereerst door een gebrek aan zicht op een spoedige business case voor groene waterstof. De complexe en onnodig restrictieve regelgeving is een andere vertragende factor, naast het onzekere en moeilijk voorspelbare Europese en nationale beleid. En dan zijn er dan nog de allesoverheersende kip-ei problemen doordat de hele waardeketen moet worden opgebouwd en op alle onderdelen moeten kloppen.
Toch lijkt, afgaande op de vele uiteenlopende regionale en lokale acties en initiatieven die op het congres werden gemeld, de spirit in de wederzijdse grensregio’s niet wezenlijk aangetast. Het mag dan zo zijn dat vergroening wat minder prioriteit krijgt in de (inter)nationale politiek en toepassingen van groene waterstof en waterstofdragers in de grote industriële clusters lijken te stagneren, maar de meer kleinschalige investeringsinitiatieven in productie, transport en opslag en toepassingen in cluster 6 bedrijven, het mkb en de mobiliteit (vooral schepen en vrachtwagens) vertonen in de genoemde regio’s wel degelijk een behoorlijke dynamiek. Noord-Nederland en Noordwest Duitsland delen blijkens de bijdragen van o.a. Enexis, Statskraft, EWE, Gasunie en FME de ambitie om gebruik te maken van de offshore windstroom en lokale onshore opwekking om de groene waterstof ook in eigen regio te produceren en toe te passen, wetende dat de opslagmogelijkheden er in de regio van nature zijn en dat het waterstoftransportsysteem als eerste vanuit het Noorden verder gaat worden uitgerold. Ook helpt het voor waterstoftoepassingen mogelijk dat het stroomnet voor de afnemers steeds problematischer wordt en er tal van subsidies zijn ter ondersteuning van lokale en regionale initiatieven op onderdelen van de waardeketen. Bovendien helpt het dat lokaal en (inter)regionaal de lijnen in het Noorden vaak kort zijn.
De drie officials die spraken, Wiebke Osigus(Nedersaksische minister van Federale en Europese Zaken en Regionale Ontwikkeling), Henk Emmens (Gedeputeerde Provincie Groningen) en Henk Jumelet (Gedeputeerde Provincie Drenthe), benadrukten allen het belang van de regionale steun voor waterstofinitiatieven en ook het nut van de samenwerking over de Noord Nederlands-Duitse grens: “Dann lernen wir von einander”.


De voornaamste spelbrekers
Wat zijn de voornaamste spelbrekers volgens de daar aanwezigen? De nog erg hoge prijs voor groene waterstof (>EUR10/kg), zelfs als deze uit ‘goedkope’ landen wordt geïmporteerd (>EUR8/kg) helpt niet voor toepassingen in de industrie, maar lijkt voor de mobiliteit minder problematisch. De verregaande additionaliteits- en correlatie-eisen die de EU aan de erkenning van groene waterstof stelt is eveneens een doorn in het oog (weg ermee). Fuelcells vereisen extreem zuivere waterstof: gaat dat lukken of toch terug naar verbrandingsmotoren (beide)? Komt het transport- en opslag voldoende snel van de grond (5 a 10 jaar moet kunnen)? Komen er meer voorspelbare subsidies voor zowel vraag- als aanbodontwikkeling (beide) en hebben standalone lokale of regionale waterstofhubs een toekomst (is de vraag; koppeling aan backbone meer solide kansen)? Dit waren voorbeelden van vragen die langskwamen, geïllustreerd aan de hand van evenzovele praktische initiatieven.
Ook was er aandacht voor: blauwe waterstof als betaalbare wegbereider voor groen, de behoefte aan aggregators om de waterstofmarkten vlot te trekken, en de behoefte aan meer inzicht in de publieke acceptatie van waterstof (image nog redelijk, maar kan veranderen).
Grensoverschrijdende samenwerking
En hoe zat het met de samenwerking over de grenzen? Opvallend was dat de toon en het type initiatieven tussen de beide landen vrij eensgezind waren. Ondanks dat de Nederlanders en Duitsers in hun voordrachten elk in eigen taal konden spreken, begreep men elkaar prima en de stemming was opperbest. Voor wat de ontwikkeling van de waterstofeconomie betreft: aan deze regio’s zal het niet liggen.

